Wijnand Nuijen biografie
Bronnen:
1) 2001 Wijnand Nuijen Jong en verontrustend genie uit ‘Hollandse Romantiek – schilders van het dagelijks leven in de 19e eeuw’ door Josephine Woldring
2) 1993 ‘Wijnand Nuyen en zijn vrienden’ door Henk Dinkelaar
3) 1977 ‘Wijnand Nuyen romantische werken door John Sillevis
Jong en Onrustig Genie van de Romantiek
Wijnand Johannes Josephus Nuijen – de naam wordt ook als Nuyen geschreven – was een Meester van de Romantiek en een waar jong en onrustig genie. Geboren in Den Haag op 4 maart 1813 , net voor het einde van de Franse overheersing , was Wijnand de enige zoon van de succesvolle broodbakker Bartholomeus Nuyen en Johanna Maria van Heijningen. Het lag in de verwachting dat de jonge Wijnand de goedlopende zaak in de Derde Molstraat zou overnemen , maar zijn ouders zagen al vroeg zijn bijzondere tekentalenten.
De Leertijd en Eerste Successen
Op slechts twaalfjarige leeftijd, in 1825, kreeg Wijnand de kans om zijn talenten te ontwikkelen. Hij ging in de leer bij de al vooraanstaande landschapsschilder Andreas Schelfhout. Tegelijkertijd schreef hij zich in bij de 's-Gravenhaagsche Teekenacademie , waar hij tot 1829 zou studeren. Hier kreeg hij onder meer les van Bart van Hove, destijds hoofddocent en bekend om zijn gedetailleerde decors voor de Haagse Schouwburg.
Al op zijn twaalfde, in 1825, schilderde Nuijen een groots olieverfschilderij (1,56 meter hoog en 1,88 meter breed) van de watersnood die Nederland dat jaar trof (zie afbeelding). Dit werk was waarschijnlijk geïnspireerd op illustraties van zijn leermeester Schelfhout. Het werk werd later op de veiling van Nuijen's atelier in 1839 door Schelfhout zelf opgekocht. De catalogus omschreef het als een 'meesterlijke aanleg'.
Vanaf 1829 begon Nuijen met deelname aan tentoonstellingen en viel hij al snel in de prijzen.
In 1829 behaalde hij een aanmoedigingsprijs in Gent.
In datzelfde jaar won hij een medaille van het Amsterdamse genootschap Felix Meritis met een tekening van 'een landschap met boerenhoeve en vee bij stormachtig weer'.
In 1830 ontving hij opnieuw een onderscheiding van Felix Meritis, ditmaal voor een geschilderd 'wintergezicht op 'de van Vreedenburchweg te Rijswijk', een prestatie geleverd op 17-jarige leeftijd.
In 1831 behaalde hij een ereprijs: een getuigschrift en 15 dukaten van de Academie van Beeldende kunsten Minerva te Groningen voor het werk 'Een rust bij een herberg in het Zevengebergte'. Met twee andere leerlingen van de Academie in Den Haag kreeg hij de Grote Rijksmedaille uitgereikt.
De Doorbraak en Franse Invloed
Nuijen bleef een rusteloos bestaan leiden en zocht constant naar nieuwe impulsen. In 1833 maakte hij samen met zijn vriend Antonie Waldorp een reis naar Parijs. Deze reis zou van beslissende artistieke invloed zijn op zijn ontwikkeling. In Parijs bezocht hij toonaangevende musea en zag hij werk van Franse meesters van de Romantiek, zoals Gudin en Isabey. De confrontatie met hun woeste schipbreuken, stormachtige kustscènes en het gebruik van dramatische kleuren en felle contrasten, maakte een enorme indruk.
De Romantiek was voor Nuijen een wereld van fantasie geworden, waar de natuur een bron was van diepe gevoelsbewegingen. Na Frankrijk reisde hij door naar Duitsland en bezocht München. De Noord-Franse kust bleef echter een favoriet thema voor hem.
Genadeloze Kritiek en Erkenning
De nieuwe stijl van Nuijen, beïnvloed door de Romantiek, stuitte op genadeloze weerstand bij Nederlandse kunstcritici. Ze vonden de Romantiek een 'importartikel' dat de bestaande tradities bedreigde. Ze vreesden dat hij 'hoe langer hoe meer tot den verkeerde Romantische smaak begon over te hellen' en 'liever een gemakkelijk effect zonder waarheid en natuurlijkheid' beoogde.
De critici konden hem niet plaatsen : 'Het zijn geen zee noch stadsgezichten, het is een genre a part'. Ondanks de erkenning van zijn genie , vonden ze dat hij zich te veel op zijn fantasie verliet.
Desondanks kreeg zijn werk een plek in belangrijke collecties, waaronder die van de verzamelaar kolonel De Ceva en zelfs die van Koning Willem II. In 1836, op 23-jarige leeftijd, werd hij verkozen tot lid van de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Amsterdam.
Het Vroege Einde
In 1838 trouwde hij met Cornelia Johanna Schelfhout , de dochter van zijn leermeester. Helaas bleek hij in datzelfde jaar ernstig ziek te zijn; hij leed aan tuberculose. Ondanks zijn ziekte bleef hij koortsachtig werken. De Belgische publicist en vriend Felix Bogaerts beschreef hoe Nuijen, ondanks hevige pijnen, bleef schilderen.
Vlak voor zijn dood haastte zijn vriend Waldorp zich naar hem toe. Bij het sterfbed moedigde Waldorp hem aan door in zijn bijzijn te werken. Nuyen kon zijn verlangen niet weerstaan om 'de laatste hand te leggen' aan een prachtig schilderij dat hij hoopte nog voor zijn dood af te krijgen. Bogaerts beschreef dit als een 'laatste heroïsche inspanning van een geniaal man die zelfs op de rand van het graf nog werkte aan de onsterfelijkheid'.
Wijnand Nuijen overleed op 2 juni 1839. Bij de veiling van zijn atelier kort na zijn dood bleek uit de lijst van olieverfschilderijen, tekeningen en litho's hoe productief hij was.
De kritiek op zijn werk klonk na zijn overlijden positiever. De kunstenaar werd geprezen om zijn 'wonderbaar talent' en 'genie'. Ter nagedachtenis werd in 1842 op de Rooms-katholieke begraafplaats St. Petrus Banden in Den Haag een grafmonument opgericht door vrienden, waaronder C. Kruseman en J. Bosboom. Het droeg de dichtregels: